
Na acht eeuwen van waterbeheer is het huidige waterschap Noorderzijlvest (organogram) ontstaan.
Toen de Romeinse schrijver Plinius in het begin van onze jaartelling in het noordelijke kustgebied rondkeek schreef hij: 'beklagenswaardige mensen die wonen op hoge heuvels die ze zelf hebben opgeworpen tot boven de hoogste zeewaterstand'. Met die heuvels bedoelde Plinius de wierden of terpen.
Hoewel mens en dier zich op de wierden veilig wisten tegen het water kon men ze inderdaad beklagen, want bij een hoge vloed was men door het water opgesloten en liepen de weidegronden onder.
Om dit te verbeteren begon men rond 1200 met het maken van primitieve dijken. Zo wist men geleidelijk aan op meer plaatsen de voeten droog te houden en kreeg men meer ruimte voor een beter bestaan.
Met de aanleg van steeds meer dijken kreeg men problemen met de afwatering. De dijken die het zeewater keerden, verhinderden tegelijkertijd het afstromen van het overtollige regenwater naar zee. Dit werd opgelost door een spui- of afwateringssluis in de grote afwateringsgeulen.
Een oude naam voor z'n sluis was zijl. Veel (plaats)namen herinneren hier nog aan, zoals Delfzijl, Aduarderzijl, Schouwerzijl, Zijldijk en Zijldiep.
Uiteraard ging de aanleg van dijken en de bouw van een afwateringssluis niet zonder slag of stoot. Niet ieder was bereid om mee te helpen of daaraan financieel bij te dragen. Daarvoor was eigenlijk een gezaghebbende en deskundige organisatie nodig. Dat waren de kloosters.
Kloosters hielden zich bezig met landaanwinning en de landontginning. Hierbij was een goede afwatering van groot belang. Het is daarom niet verwonderlijk dat de kloosters de organisatie hiervan op zich namen. Kloosterabten wierpen zich al snel op als voorzitters (scheppers) van de Zijlvesten, zoals de toenmalige waterschapsorganisaties in Groningen werden genoemd.
De meeste waterschappen in de Ommelanden ontstonden in de dertiende en veertiende eeuw.
Aan het eind van de zestiende eeuw werden de kloosters ontmanteld. De provincie en de stad Groningen eigenden zich de landerijen van de kloosters toe en de provincie nam de controle over de waterschapstaken op zich.
Halverwege de zeventiende eeuw verkocht de provincie allerlei rechten, bijvoorbeeld het recht om een voorzitter te benoemen. De jonkers kochten dit over en boerden er aanvankelijk uitstekend mee. Pas in de achttiende eeuw kwam hier een einde aan.
De zijlvesten kwamen meer onder toezicht van het provinciaal bestuur te staan. In 1755 leek het al op de staat van nu, met een hogere en lagere overheid. De zijlvesten hadden weinig eigendommen en een kadaster was er nog niet. Hun werkzaamheden bestonden voornamelijk uit het aanleggen van bruggen, baggeren en het onderhoud van de dijken en zijlen.
De tijd rond 1800 was een tijd van stilstand en achteruitgang bij de zijlvesten met achterstallig onderhoud als resultaat.
Tegelijkertijd ontstonden ook de molenpolders. Eigenaren richten met elkaar een watermolen op, waar ze ook samen voor zorgden. Ze gingen een vereniging aan om de landerijen droog te malen met watermolens. In Groningen alleen al zijn er zo'n honderd van geweest.
Juridisch en bestuurlijk hadden de molenpolders geen relatie met de zijlvesten. Ieder had zijn eigen richtlijnen. Dat botste uiteraard. Vanaf 1854 werden de zijlvesten opgeheven en werden waterschappen in het leven geroepen als vorm van lagere overheid. In Groningen hebben in totaal 580 waterschappen bestaan.
Na 1800 nam het belang van particuliere initiatieven toe. Landeigenaars en boeren zorgden voor hun eigen dijken. Zo lagen er dus tal van zelfstandige polders langs de kust. Wie wilde aansluiten bij een polder, moest daarvoor flink betalen.
De waterschappen in Drenthe ontstonden veel later dan die in Groningen en Friesland. In de zestiende eeuw waren er de zogenoemde veningen en pas vanaf 1870 waterschappen. Deze waterschappen voerden het water af naar het noorden, het westen en Overijssel. In Drenthe waren veel minder waterschappen dan in Groningen.
Als gevolg van de watersnoodramp in 1953 werd ook in het Noorden de waterbeheersing beter aangepakt. In 1967 werd het waterschap Ommelanderzeedijk opgericht voor het weren van zeewater. Niet alleen direct-belanghebbenden, maar ook het achterland in het noorden en westen van de provincie Groningen moest daaraan meebetalen. In 1986 werd Ommelanderzeedijk vergroot met een groot deel van midden en oost Groningen.
Rond 1990 werd het stroomgebied als eenheid voor de organisatie van waterschappen belangrijk. Tegelijkertijd bleken veel waterschappen te klein om aan de technische en financiele eisen te kunnen voldoen. Redenen om kleine waterschappen op te heffen en taken te concentreren. Zo ontstonden er interprovinciale waterschappen in Groningen en Drenthe.
Uit de Drentse waterschappen Noordenveld en Smilde (gedeeltelijk) en de Groningse waterschappen Westerkwartier, Hunsingo, Eemszijlvest (gedeeltelijk) en de waterschappen met een bijzondere taak: Electra (boezembeheer) en Ommelanderzeedijk (dijkbeheer) ontstond in 1995 het eerste waterschap Noorderzijlvest.
op 1 januari 2000 is het gebied van het voormalige waterschap Noorderzijlvest samengevoegd met het gebied van Eemszijlvest ten noorden van het Eemskanaal, dat vroeger het waterschap Fivelingo uitmaakte. Ook de taken van het Zuiveringsschap Drenthe en de dienst Zuiveringsbeheer van de provincie Groningen zijn, voor zover ze betrekking hadden op het gebied van het waterschap, aan het nieuwe waterschap overgedragen. Tegelijkertijd is op basis van de stroomgebieden de grens met de Friese waterschappen aangepast.
Op de kaart kunt u zien wat nu het beheergebied van waterschap Noorderzijlvest is.