
Bij binnenkomst bevat het afvalwater (influent) veel bezinkbare afvalstoffen. Deze moeten er zoveel mogelijk worden uitgehaald om de biologische belasting van de oxidatiebedden te beperken en verstopping te voorkomen.
Daarom wordt het influent in een clarigester voorbehandeld. Het influent wordt langzaam door de trechtervormige tank geleid. Hierbij bezinken de bezinkbare afvalstoffen, terwijl het influent via een goot de tank verlaat.
De bezinkbare afvalstoffen komen, via een opening in bodem van de trechtervormige tank, terecht in een onderliggende ruimte. In deze gistingruimte vindt rotting (gisting) plaats van de organische afvalstoffen omdat geen zuurstof aanwezig is. Door deze gisting wordt een groot deel van de bezonken afvalstoffen biologisch afgebroken. Het restant wordt uiteindelijk afgevoerd naar de centrale slibverwerking.
Doordat de clarigester hoog gebouwd is, stroomt het influent uit zichzelf naar het oxidatiebed.
De daadwerkelijke zuivering van het afvalwater gebeurt in het oxidatiebed. Deze is gevuld met lavastenen, waaraan zich bacteriën hebben gehecht. Het afvalwater wordt door sproeiers over de lavastenen verspreid en sijpelt door het bed naar beneden.
Doordat het afvalwater en de buitenlucht vrijwel nooit dezelfde temperatuur hebben, treedt er altijd een luchtstroom in het oxidatiebed op. Op deze manier worden de bacteriën van de zuurstof voorzien die zij nodig hebben voor de zuivering van het afvalwater.
De bacteriën in het oxidatiebed groeien altijd door. Na verloop van tijd zit er zo'n dikke laag bacteriën en slib rond de lavastenen, dat het buitenste laagje ervan loslaat. Dit zogenaamde humusslib wordt met het gezuiverde afvalwater uit het bed gespoeld.
Om uitdroging van het oxidatiebed te voorkomen, bij weinig of geen wateraanvoer op de rwzi, wordt een recirculatiestroom in werking gesteld.
Het gezuiverde afvalwater stroomt vervolgens naar de nabezinktank.
Vanuit het oxidatiebed stroomt het biologisch gezuiverde afvalwater samen met de losgelaten bacteriën (humusslib) naar de nabezinktank. De nabezinktank heeft de vorm van een trechter.
Het gezuiverde afvalwater komt samen met het humusslib in het midden van de tank binnen en stroomt dan langzaam naar de buitenkant van de tank. Vanuit de buitenkant van de nabezinktank wordt het gezuiverde afvalwater (effluent) van het humusslib gescheiden en afgevoerd via een meetgoot naar het oppervlaktewater.
De humusslibdeeltjes zakken naar de bodem. Het bezonken humusslib wordt met een zogenaamde ruimer naar het midden van de tank geschoven. Hiervandaan wordt het humusslib naar de clarigester gepompt. Hierin bezinkt het tezamen met de in het influent aanwezige bezinkbare stoffen naar de onderliggende gistingruimte.