Het waterschap bepaalt de waterstand in de verschillende delen van ons werkgebied. Daar maken we afspraken over met peilbesluiten. We volgen de waterstanden op de voet.

Actuele waterstanden

Actuele waterstanden in het hele land en in het werkgebied van Noorderzijlvest zijn online te volgen. Je kunt geen rechten ontlenen aan deze informatie.

Actuele peilbesluiten

Afspraken over peilen moeten soms opnieuw gemaakt worden. Omstandigheden en inzichten kunnen veranderen. We geven een overzicht van recent genomen peilbesluiten en van besluiten die we nu voorbereiden.

Waterstanden meten

De waterstanden meten we automatisch met zogenaamde drukopnemers. De waterstand wordt ieder kwartier geregistreerd in een speciale computer in het waterbouwwerk. Bij de grootste en belangrijkste peilvlakken stuurt deze computer het gemaal of de stuw ook automatisch aan. Minimaal één keer per dag komen de geregistreerde gegevens op de kaart.

De waterstanden zijn uitgedrukt in centimeters ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil (NAP).

Normaal Amsterdams Peil (NAP)

  • Om binnen Nederland hoogtes te kunnen vergelijken maken we gebruik van 1 nulpunt: het NAP.
  • We meten hogere (+ .. centimeter NAP) en lagere niveaus (- .. centimeter NAP) daaraan af.
  • 0 meter NAP is ongeveer gelijk aan een gemiddeld zeeniveau.

Peilbesluiten bepalen

Het waterschap bepaalt wat het gewenste peil van het oppervlaktewater onder normale omstandigheden moet zijn in de belangrijkste kanalen, maren, beken en sloten. Het algemeen bestuur besluit over deze streefpeilen. Zo weet iedereen welke afspraken gelden. In het werkgebied van Noorderzijlvest is de waterstand niet overal hetzelfde. Ons gebied is ingedeeld in verschillende peilvakken. Die hebben allemaal een eigen waterstand. Binnen elk peilvak wordt deze waterstand gestuurd door één of meerdere waterbouwwerken die het waterpeil kunnen regelen. Dit kunnen gemalen, stuwen, sluizen of inlaten zijn.

  • Een gemaal is een pomp die het water van een lager naar een hoger niveau kan brengen. Water loopt van nature van hoog naar laag. Het gemaal zorgt ervoor dat de waterstand in een gebied op een vooraf ingesteld peil blijft.
  • Een stuw houdt water tegen om het op een bepaald peil te houden.
  • Een sluis staat tussen twee watergangen die een ander waterpeil hebben. Dus aan de ene kant van een sluis is het water hoger of lager dan aan de andere kant. We kunnen een sluis openen zodat er water door kan stromen.
  • Een inlaat in een dijk of kade laat (vers) water in de polder stromen.

Wanneer nemen we een (nieuw) peilbesluit?

Omstandigheden en inzichten over hoe we willen omgaan met het peil in een bepaald gebied kunnen veranderen. Daarom kan het van tijd tot tijd nodig zijn om bestaande afspraken goed te controleren.
Peilbesluiten worden altijd genomen voor:

  • Het bepalen van het streefpeil in de boezem. De boezem is een tijdelijke opslagplaats voor te veel water in de polders. Het boezemwater is het water waarop poldergemalen het overtollige water lozen. Voor Noorderzijlvest gaat om de Electraboezem en de Fivelingoboezem.
  • Het bepalen van het streefpeil voor gebieden waar geheel of gedeeltelijk de bestemming ‘natuur’ geldt.
  • Gebieden die onder invloed staan van bodemdaling door aardgaswinning of door veenoxidatie.

Als natuurlijke omstandigheden grote schommelingen in het waterpeil veroorzaken, is het niet goed mogelijk om een vast peil aan te houden. In zulke gebieden geldt dan ook niet altijd een peilbesluit. Dat is bijvoorbeeld zo in de Drentse beekdalen in ons werkgebied.

Waar letten we op bij nieuwe peilbesluiten?

We onderzoeken altijd het watersysteem zoals dat op dat moment functioneert in de omgeving waar het om gaat. We gaan ook in gesprek met de mensen in de streek. In ons onderzoek nemen we altijd deze onderwerpen mee:

  • Het gebruik van het water en de grond. Is er landbouw of natuur? Varen er boten? Wordt er gevist?
  • De belangrijkste kenmerken van het water en de bodem. Wat is het waterpeil nu? Wat is de hoogte van de percelen? Bestaat de bodem uit zand, klei of veen?
  • De kwaliteit van het water. Hoe is de kwaliteit en kunnen we die verbeteren met aanpassingen in het peil?
  • Het opslaan van te veel water. Hebben de sloten en kanalen voldoende omvang om het overschot te bergen? Bijvoorbeeld als het heel erg heeft geregend?
  • Is het gebied gevoelig voor droogte? Wat kunnen we daaraan doen?
  • Hoe ver is de bodem gedaald door gaswinning? Of door veenoxidatie? Moeten we het waterpeil daarom aanpassen?

Waar gaat een peilbesluit niet over?

Een peilbesluit gaat over oppervlaktewater en daarmee niet over:

  • Het ‘diepe grondwater’. De provincie is verantwoordelijk voor het diepe grondwater (bijvoorbeeld voor de grotere grondwateronttrekkingen).
  • Het ‘ondiepe grondwater’ binnen bebouwd gebied. Daar heeft de gemeente de zorgplicht voor het grondwater.
  • Grondwaterproblemen op percelen. De eigenaar heeft een zorgplicht voor het eigen terrein.

Heb je gevonden wat je zocht?